“Je bent een slechte moeder” riep mijn 12jarig joch me kwaad toe. Akkoord, ik tikte met zijn schrift met harde kaft op z’n kop om z’n aandacht te krijgen terwijl hij aan het schreeuwen was dat hij er niets aan kon doen dat de helft van zijn schriftinhoud zomaar was verdwenen. “Halloooo, iemand thuis?”
Niet echt over nagedacht, nee, want dat werkt natuurlijk averechts, he?

Was het maar zo, dat ik een slechte moeder was, dat zou alles misschien wel stukken eenvoudiger maken. Een slechte moeder zou het worst zijn dat het huiswerk niet af was, die zou zich niet druk maken dat de drie simpele engelse opdrachtjes in twee en een half uur werden gemaakt. Een slechte moeder zou het werkelijk geen lor kunnen schelen dat er een waarschuwing zou komen wegens het vergeten van boeken. Of een onvoldoende omdat gamen leuker was dan woordjes leren. Of dikke onvoldoendes omdat opdrachten niet ingeleverd waren.
Een slechte moeder zou zich niet druk maken over de geplette lunch die ze dag in dag uit onder in zijn tas vond. Weer niet gegeten, nou en? Een slechte moeder zou niet eens de moeite meer doen om er nog voer in te krijgen. Die zou ook niet hoeven zorgen voor eten in de koelkast waar de kinderen gewoon uit konden pakken, zou ook niet vroeg op hoeven te staan om iedereen blij naar school te helpen.
Maar een slechte moeder zou ook geen aandacht hoeven geven als het allemaal even te moeilijk werd, zelfs niet meer thuis hoeven zijn om te vragen hoe de dag was verlopen. Geeft een slechte moeder een koppie thee met een koek tijdens het werken? Nee, niet nodig. Of een kus op de kop zomaar in het voorbijlopen? Lachen om de flauwe zelfbedachte mop die dochterlief voor de tigste keer vertelde? Knuffels geven als iemand zich niet happy voelt? De hemel in prijzen als er een niet-rijmende-rijm wordt voorgedragen? Een traan wegvegen, met blote voeten achter de fiets aanrennen met het vergeten lunchpakket?

Als slechte moeder zou ik achteruit kunnen gaan zitten en lekker mijn eigen ding kunnen doen. Zomaar eten waar en wanneer ik daar zin in heb zonder te delen. Niet om 21.00 helemaal doodop ‘t bed inrollen omdat ik al vanaf kwart over zeven ‘s morgens door drie van de vier kinderen een berg negativiteit door ochtendhumeuren over me heen gestort had gekregen. Moet ik doorgaan?

“Hou er toch mee op”, hoor ik mijn innerlijk stemmetje zeggen. “Trek je handen van de onwilligen en ondankbaren af en geef alleen nog maar je zorg en aandacht aan hen die het waarderen. De rest kookt gewoon fijn in het eigen sop gaar.”  Ervan uitgaande dat de beste lessen geleerd worden door fouten en narigheid, waarom dan het anders blijven proberen?

Waar heb ik zelf het meeste van geleerd? Van de harde levenslessen, van de pijn en van de kwetsingen. Zoveel lessen, teveel om op te noemen, hier even een greep.

Van altijd maar mijn tranen wegvegen leerde ik dat verdriet niet mag.
Van de pijnlijke eenzaamheid leerde ik dat ik anderen nodig had.
Van het verlaten worden door mijn één jaar oudere zusje, die naar de kleuterschool ging zonder mij, leerde ik dat ik op mijzelf stond.
Door het gebrek aan grenzen leerde ik door schade en schande mijn eigen grenzen kennen.
Door de controle af te geven leerde ik dat ik niets waard was.
Door verwarrende boodschappen leerde ik te wantrouwen.
Door de controle té stevig vast te houden leerde ik dat mensen mij verlieten.
Door niet gehoord te worden leerde ik schreeuwen.
Door te schreeuwen leerde ik mijn agressie kennen.
Door mijn agressie leerde ik mijn verdriet te verstoppen.
Door weg te lopen leerde ik mijn eigen boontjes te doppen.
Door te blijven leerde ik mijn verantwoordelijkheid te nemen
Door liefde kwijt te raken leerde ik het vast te houden.
Door toch liefde te krijgen leerde ik liefde te geven.
Door verlating leerde ik accepteren.
Door de dood leerde ik machteloosheid en overgave.

“Je bent een slechte moeder!” schreeuwde hij.
Misschien heeft hij gewoon gelijk en moet ik maar ‘s ophouden met dat opvoeden.